Sunday, December 20, 2009

wilders en austin.

de omstreden politicus geert wilders veroorlooft zich relatief controversiele opmerkingen met betrekking tot de islamitische nederlander (de kut-marokkaan, de straatterrorist, de drager van een inferieure cultuur, etc). maar ter zelfder tijd rent wilders keer op keer naar de rechtbank wanneer hij bedreigd wordt. hij is voorvechter voor het "vrije woord" en de vrijheid van meningsuiting, die hij zelfs belangrijker schijnt te vinden dan de wet tegen discriminatie. maar aan de andere kant lijkt het hem een goed idee de islam, die naar zijn zeggen oproept tot geweld, te verbieden. wat voor taalbegrip ligt aan de basis van deze schijnbare tegenstrijdigheden?

alles mag gezegd worden, zolang men niet expliciet oproept tot geweld. het systematisch demoniseren van bepaalde bevolkingsgroepen wordt echter niet als oproep tot geweld gerekend. hiermee impliceert wilders een expliciete scheiding tussen het oproepen tot geweld in de zin van commando's, en het bijdragen aan de totstandkoming van voorwaarden die geweld mogelijk maken.

john austin introduceerde een onderscheid tussen twee verschillende typen performatieve taaluitingen. de ene, de illocutionaire taaluiting, valt samen met een handeling; het paradigmatische voorbeeld is de priester die door te zeggen "u bent getrouwd" ook daadwerkelijk een huwelijk voltrekt. de andere, de perlocutionaire taaluiting, is een taaluiting die weliswaar tot een handeling leidt, maar daar niet mee samen valt; een commando is een perlocutionaire taaluiting, maar datzelfde geldt voor bepaalde vormen van hate speech.

problematisch wordt dit onderscheid wanneer we althusser's notie van interpellatie in deze theoretische constellatie integreren. interpellatie duidt op het feit dat onze subjectiviteit ons van buiten opgedrongen wordt; wij worden op een bepaalde manier aangesproken, en de manier waarop we als subject in de wereld vastgepind worden hangt daarmee samen. wanneer ik aangesproken word met "fuck you" zal ik een andere relatie met betrekking tot de sociale realiteit waarin ik me op dat moment bevind innemen dan wanneer een ober me vraagt of ik nog wijn wil.

interpellatie is een illocutionaire taaluiting; de interpellerende taaluiting constitueert het geadresseerde subject, en deze constitutie valt temporeel samen met de taaluiting.

hoewel het voor een rechtbank wellicht anders ligt, lijkt het me op theoretisch vlak zeer moeilijk te beargumenteren dat bepaalde uitingen van de PVV geen hate speech zijn. de interpellatie van een bevolkingsgroep (die wellicht expliciet in zijn heterogeniteit erkend wordt, maar op rhetorisch vlak toch onvoldoende gespecificeerd is om van een werkelijke erkenning van heterogeniteit te kunnen spreken) als "straatterroristen" leidt tot bepaalde effecten voor de constitutie van de subjectiviteit van diegenen die deel hebben aan deze bevolkingsgroep - of dit nu antagonistische, subversieve, of toestemmende effecten zijn.

tegelijkertijd wordt de nederlander voortdurend aangesproken als slachtoffer van de islamisering en de "linkse elite aan de grachtengordel." dit discours gaat er vanuit dat er een "echte nederlander" is, wiens plaats in de symbolische werkelijkheid van de nederlandse cultuur verdrongen is door niet-"echte nederlandse" elementen. (zoals foucault laat zien in "society must be defended" is dit een zeer oude discursieve structuur, die tenminste teruggaat tot de franse historicus boulainvilliers, die de rechten van de franse aristocratie voor de opnieuw opkomende monarchie wilden verdedigen. deze structuur ligt aan de basis van een veelheid aan nationalistische discoursen.) deze "echte nederlander" wordt in zijn slachtofferrol geinterpelleerd, en duidelijk gemaakt wie hem deze rol heeft toebedeeld.

wanneer geert wilders benadrukt dat er een verschil is tussen discriminerende uitingen en het aanzetten tot haat, kent hij het perlocutionaire aspect van taal een overdreven grote werkingskracht toe, terwijl hij de illocutinaire zijde, zoals die in interpellatie verwerkelijkt wordt, en het discursieve geweld (dat op ontologisch vlak natuurlijk niet van lichamelijk geweld te scheiden is) dat daarmee gepaard gaat, niet in beschouwing neemt. uiteraard is dit een retorische techniek om zijn politieke tegenstanders tot stilte te brengen - maar besloten in deze techniek ligt een sterk vereenvoudigd idee van de mens - die blijkbaar niet in staat is een aanzet tot geweld te negeren, maar wel immuun is voor de gewelddadige effecten van interpellatie.